“We moeten niet langer concurreren op de prijs van arbeid.”

Interview met Zakaria Boufangacha, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid bij Vakbond FNV

Een gesprek met Zakaria Boufangacha, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid bij vakbond FNV, resulteerde in een lang en vurig betoog met mooie vergezichten en kritische noten. Boufangacha brengt helder in kaart bij wie welke verantwoordelijkheid ligt om de arbeidsmarkt, die volgens hem uit balans is, weer in evenwicht te brengen. Zo vindt hij dat bedrijven minder gericht zouden moeten zijn op het maken van winst en meer op het creëren van werk. Hij vindt dat de focus nu te veel ligt op de prijs van arbeid. Tegelijkertijd ziet hij ook dat juist dat werk van aard en rol verandert binnen de financiële sector. Hij toont zich realistisch: die verandering is niet erg, zolang transities er niet voor zorgen dat mensen langs de kant komen te staan. Zijn kernboodschap is dat er balans moet zijn in de risico’s die werkgevers en werknemers dragen, maar ook tussen werkenden onderling. Het moet niet uitmaken of je een vast of flexibel contract hebt. Daarbij is het doel van Boufangacha dat er eerlijke verhoudingen zijn en een eerlijke prijs voor arbeid: flexibel werk moet duurder worden. Daarbij tekent hij wel aan dat een vaste baan de meeste zekerheid biedt en werknemers minder kwetsbaar maakt. De solidariteit tussen werkenden staat onder druk doordat opdrachtgevers – door zzp’ers in te huren – niet bijdragen aan de sociale zekerheid; veel zzp’ers verzekeren zich ook niet. Verhoudingen gebaseerd op onderlinge solidariteit herstellen de collectieve zekerheid en dienen daarmee het gemeenschappelijk belang. Dit vraagt echter wel een gemeenschappelijke inspanning: van politiek, werkgevers en werknemers.

De waarde van werk 
Het interview begint met een bespiegeling op de veranderende waarde van werk. Volgens Zakaria Boufangacha is er vanuit het perspectief van de werknemer niet zoveel veranderd wat betreft de waarde van werk. “De waarde van werk in de levens van mensen is nog altijd heel groot. Werk levert zingeving, inkomen, status en de mogelijkheid om te werken aan je eigen toekomst.” Boufangacha ziet vanuit zijn vakbondservaring dat waarde van werk vanuit werkgeversperspectief wel een andere invulling heeft gekregen. “Werk is meer een instrument geworden binnen een onderneming met als doel het verdienen van geld en de aandeelhouders tevreden stellen. De factor arbeid is eigenlijk van doel naar middel gegaan.” Volgens Boufangacha was dat in het verleden toch anders. “Sociale ondernemingen zoals KLM en Philips waren vroeger veel meer gericht op het creëren van werkgelegenheid, het bouwen aan de maatschappij. Door onder andere globalisering en buitenlandse aandeelhouders is het oogmerk meer verplaatst naar winstgevendheid. Hier plaatst Boufangacha wel enige nuance: “Ik zie een kentering, ontwikkelingen waarbij bedrijven afstand doen van ‘Shareholder first’ wijzen erop dat er een kentering gaande is en dat het belang van aandeelhouders in mindere mate op de eerste plaats komt te staan.” 

Werk moet lonen voor iedereen
Al snel verschuift de focus in het gesprek van algemene uitspraken naar de verandering van werk in de financiële sector. Boufangacha vertelt dat arbeid in deze sector een grote kostenpost is. Tegelijkertijd ziet hij dat in deze sector veel werk aan het verdwijnen is. “Medewerkers maken plaats voor Artificial Intelligence”, aldus Boufangacha. Maar waarom worden deze keuzes gemaakt? Volgens Boufangacha is de keuze voor arbeid in de financiële wereld erg prijsgedreven. “De keuze voor arbeid wordt bepaald door de vraag: hoe maak je het bedrijf concurrerend en hoe kun je de groei stimuleren? Het antwoord op die vraag leidt ertoe dat bedrijven automatiseringsslagen maken die ervoor zorgen dat de kosten van arbeid verminderen. Doelstellingen en targets zijn veranderd en daarbij staat het investeren in arbeid niet meer bovenaan.” Boufangacha is wel reëel. De rol van arbeid verandert en dat vindt hij niet erg. Wel vindt hij het belangrijk dat transities, in welke vorm dan ook, er niet toe moeten leiden dat er een groep buiten de boot valt en in sociale armoede vervalt. Om dat te voorkomen, is het volgens Boufangacha belangrijk om in te zetten op scholing, om mensen van werk naar werk te begeleiden, medewerkers stimuleren na te denken over de toekomst. Boufangacha vindt dat als bedrijven groeien, iedereen daarvan moet profiteren: “Als de winstgevendheid verbetert, moet dat iedereen toekomen, niet alleen de happy few. Hier gaat het vaak mis.”

Een eerlijke prijs voor arbeid 
Van de financiële sector komt het gesprek toch al snel bij flexibilisering uit en dan wordt het betoog van Boufangacha steeds sneller en steeds vuriger. Volgens Boufangacha zijn er nergens ter wereld zoveel verschillende contractvormen als in Nederland. En dat is volgens hem geen natuurverschijnsel, hier is bewust voor gekozen. “Dat is een prijsgedreven keuze, want flexibele contracten zijn veel goedkoper dan vaste contracten. De keuze voor flex is doorgeslagen”, zegt Boufangacha, “en dat heeft ertoe geleid dat onze arbeidsmarkt zo flexibel is en daarmee onzeker voor mensen.” Dat is volgens hem het gevolg van keuzes van werkgevers. Boufangacha: “Het is zorgelijk dat er wordt geconcurreerd op de prijs van arbeid. Dit moet echt veranderen. Juist hierom is destijds de cao ontstaan om afspraken te maken over die prijs van arbeid, zodat er op dat punt geen concurrentie tussen bedrijven kon plaatsvinden.”

Hoe gaan we zorgen voor eerlijkere verhoudingen en een faire prijs van arbeid?

Zakaria Boufangacha Coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid bij Vakbond FNV

Er moet een betere balans komen tussen vaste en flexibele contracten, vindt Boufangacha. “De huidige generatie is opgegroeid met flexibiliteit. Voor een deel van de mensen is dat geen probleem, zij kunnen zich redden. Toch is de samenleving nog zo ingericht dat het hebben van een vast contract hoog wordt aangeschreven. Terecht, want dat biedt inkomenszekerheid.” Bovendien worden er door inzet van flexibele arbeidsrelaties niet altijd eerlijke keuzes gemaakt, vindt Boufangacha: “Er wordt niet geïnvesteerd in scholing, bij transities wordt er gemakkelijk afscheid genomen. Een vast contract geeft meer zeggenschap over je werk, over je arbeidstijden, kortom, het geeft een betere onderhandelingspositie.” Over die balans is hij heel helder: “Flex zou alleen moeten worden ingezet op piekmomenten en structureel werk zou niet bezet moeten worden met flexibele werknemers.” Het gevoel zou je kunnen bekruipen dat het vaste contract de heilige graal is voor Boufangacha, maar dat is niet het geval: “Het doel is niet een vast contract, hoewel dat wel het enige middel is om mensen een sterke positie te geven. Het doel is: hoe gaan we zorgen voor eerlijkere verhoudingen en een faire prijs van arbeid?”

Belang van solidariteit
Flexibilisering is niet alleen een gevolg van politieke keuzes en van de keuzes van werkgevers. Het is ook een gevolg van individualisering, denkt Boufangacha. “Hieruit is een generatie ontstaan die opgegroeid is met ‘op eigen benen kunnen staan’ en daardoor zijn collectiviteit en solidariteit naar de achtergrond verdwenen. Toch zijn collectiviteit en solidariteit erg van belang in een groeiende zzp-markt en met name voor de kwetsbare groepen. Het zou niet uit moeten maken waar je wieg staat, gelijke kansen moeten er zijn voor iedereen. Als we de balans tussen flex en vast herstellen, is dat dus in het gemeenschappelijk belang. Hoe meer mensen meewerken aan de sociale zekerheid, hoe eerlijker het stelsel.” 

Oplossingen
Als Boufangacha kijkt naar het creëren van een balans tussen flex en vast, ziet hij een aantal oplossingsrichtingen. De rol van de overheid is hierbij niet te onderschatten. Boufangacha: “De oplossingen, zowel nationaal als internationaal, liggen bij de overheid en de politieke keuzes die worden gemaakt. Politiek en overheden moeten weer een gelijk speelveld creëren. Ook speelt handhaving een rol: belastingdienst en inspectie moeten hiervoor genoeg tools hebben, anders heeft wetgeving weinig waarde.” Boufangacha refereert daarbij aan een Europese richtlijn die is aangenomen: “We moeten bij regelgeving streven naar een gelijk speelveld op het gebied van arbeidskosten. Bedrijven kunnen prima blijven concurreren op bijvoorbeeld innovatie, maar niet langer op de prijs van arbeid.”