“De vraag is niet vast of flex, maar hoe mensen zelf willen werken.” 

Interview met Jurriën Koops, directeur Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU). 

De manier waarop we nu contractvormen ingericht hebben, doet lang niet altijd recht aan de behoeften en wensen van de beroepsbevolking. De manier van kijken is lange tijd een economische geweest en menselijk kapitaal werd vooral gezien als risicofactor. Het is tijd om daar verandering in te brengen en op veel fronten wordt er ook gesproken en gekeken hoe het anders kan. Dan moeten we alleen met elkaar van de bestaande paradigma’s af durven te stappen. En met alle partijen samen in gesprek gaan. Met als ultiem einddoel dat iedereen aan het werk is op de manier die hem of haar het best past. En dat ieder voldoende toegerust is om ook in de toekomst werk te hebben en te houden.

‘Werk dient veel doelen’ is het eerste dat opkomt bij de start van het gesprek over werk en flexibiliteit met Jurriën Koops, directeur van de ABU. Koops geeft aan dat werk mensen een identiteit geeft. Het is bij veel mensen het eerste of tweede dat ze zeggen als ze zich voorstellen. Bovendien zorgt het voor een sociale context, het plaatst mensen in een context met anderen. En uiteraard zorgt het voor het voorzien in je onderhoud en geeft het mogelijkheden tot ontwikkeling. Koops gelooft dat wat mensen zoeken in werk, losstaat van de generatiediscussie die vaak gevoerd wordt. Iedereen wil graag van betekenis zijn en betekenis hebben voor de maatschappij. En dat is iets anders dan succesvol willen zijn. “Menselijke behoeften in relatie tot werk blijven altijd wel ongeveer gelijk, maar de vorm waarin we het organiseren, verschilt wel door de tijd heen.”

Binding en een zeker familiegevoel hebben voor veel mensen betekenis. ‘Erbij horen’ is een belangrijke drijfveer om te werken. “Onze leden hebben echter best moeite om mensen te binden, omdat de waarde van werk vaak niet aan hen als organisatie vastzit: zij werken immers bij de opdrachtgever op locatie. Het uitzendbureau is alleen de juridisch werkgever. De meeste mensen die aankloppen bij een uitzendbureau (60%) zijn toch op zoek naar die vaste baan en zien uitzendwerk als een opstapje om dat doel te verwezenlijken. Dan bestaat ongeveer 13% uit de categorie bijverdieners. Zij zijn op zoek naar wat extra’s voor bijvoorbeeld een vakantie en zijn niet op zoek naar binding, ‘er is immers altijd wel werk’, zo is de perceptie. 15% ziet uitzendwerk als een mogelijkheid om door te groeien of meerdere banen te proberen. Een kleine groep van 14% ten slotte zoekt werk op maat via het uitzendbureau. Voor deze groep zit de toegevoegde waarde van uitzenders in hun werkgeverschap. We zien dat veel uitzenders op zoek zijn naar het bieden van meer toegevoegde waarde, bijvoorbeeld in de vorm van aandacht voor duurzame inzetbaarheid, overigens een belangrijk punt in onze nieuwe cao, en scholing.” 

Werk wordt in steeds kleinere eenheden opgeknipt
Toevoegen van waarde wordt ook al lastiger door de manier waarop bedrijven georganiseerd zijn. Dit verandert sterk. Zo zie je dat bedrijfsprocessen steeds meer in stukjes geknipt worden. Koops: “Vroeger zat alles onder één dak. Zie de zwarte Ford van weleer. Nu is het één grote fruitmand geworden. En zie je bijvoorbeeld bij industrieën dat er veel toeleveranciers op hetzelfde terrein zitten die allemaal een stukje van het proces uitvoeren. Door deze beweging worden bedrijven steeds meer regisseur van processen. Ditzelfde zie je in onze branche ook,” vertelt Koops. “In de loop der jaren zijn er steeds meer gespecialiseerde partijen ontstaan voor bijvoorbeeld de salarisadministratie, de werving, het financiële proces, voor outplacement, voor inrichten van slimme algoritmes e.d. Hier moet je als organisatie slim mee omgaan en je toegevoegde waarde steeds blijven vernieuwen.

De techniek maakt het mogelijk dat we steeds kleinere eenheden van werk organiseren. Hierdoor worden flexibiliteit en betrouwbaarheid belangrijker. Ook omdat we nieuwe vormen van arbeid en nieuwe onderlinge relaties creëren. Deze ontwikkeling heeft grote impact op de kwaliteit van arbeid en de arbeidsmarkt. Iedereen heeft er belang bij dat we een arbeidsmarkt creëren die goed functioneert. We moeten immers wel de productie op peil zien te houden met steeds minder mensen. En bij die mensen wordt ontwikkeling steeds belangrijker. Dat vraagt om het aanspreken van het potentieel in andere vormen dan we nu gebruikelijk vinden. En dat vraagt om anders kijken naar de waarde van werk dan we nu vaak doen.” 

Meer diversiteit in de organisatie van werk
Koops vervolgt zijn verhaal: “Vroeger kenden we in Nederland een eenverdienerssamenleving, en die eenverdiener moest een zekere arbeidsrelatie hebben. Nu zijn we bij een anderhalfverdieners-situatie aanbeland en kan het al iets flexibeler geregeld zijn. Je ziet dat mensen steeds vaker meerdere dingen tegelijkertijd willen doen en zoeken ook naar mengvormen in hun arbeidsovereenkomsten. Half-vast en half-flexibel komen bijvoorbeeld steeds meer voor. In de toekomst, in een steeds krapper wordende arbeidsmarkt, zullen vrouwen nog meer uren moeten gaan werken en groeien we waarschijnlijk naar een ‘1⅔-verdienende’ samenleving toe. Ook zal het over een tijdje niet per se meer de norm zijn dat de vrouw de parttimefunctie heeft en de man de fulltimefunctie. En zo komt er ook steeds meer diversiteit in de manier waarop we werk organiseren, zowel afgedwongen door bedrijven als door de mensen zelf.” 

Het gesprek over de echte waarde van werk
Koops denkt dat we in dat veranderende speelveld moeten opnieuw moeten kijken wat arbeid echt waard is en wat we er bereid voor zijn te betalen. “Aan de ene kant zie je een beweging dat de zelfstandige die er echt voor de volle 100% zelf voor kiest en de risico’s onder ogen ziet, nu hinder heeft van het overheidsbeleid. Terwijl diezelfde overheid veel mensen misschien wel onbedoeld de zelfstandigheid in geholpen heeft door fiscaal aantrekkelijke regelingen, die goed uitpakten voor zowel werkgever als werknemer. Koops heeft het dan over ‘gelegenheidszelfstandigen’. En dat heeft weinig met zelfstandigheid te maken. Om het paradigma te veranderen, ziet Koops dat we menselijk kapitaal niet als risicofactor moeten zien waar je mee onderhandelt over de prijs die het mag hebben. De grote vraag is: hoe krijg je dat weer gekanteld? Hoe krijgen we de nu soms perverse prikkels uit ons systeem? Hoe krijgen we het echte gesprek over de waardering van werk? Koops haalt glimlachend zijn schouders op: “Iemand die het weet, mag op mijn stoel komen zitten. Maar feit is wel dat we binnen de ABU deze discussie voeren en ik weet van een aantal van mijn leden dat dit ook onderwerp van gesprek is met hun klanten.”

Het systeem veranderen, is zo makkelijk niet. Voor een deel heeft het met leiderschap en fatsoen te maken. “We moeten vaker tegen elkaar uitspreken: ‘zo willen we het niet’. Het gesprek voeren met de verschillende schakels in de keten. En we moeten kritisch zijn op wat er niet goed gaat. Ook kunnen we wellicht regels stellen die perverse prikkels vermijden. Als uitzendorganisaties kunnen we ook vaker nee zeggen tegen opdrachten waar we eigenlijk niet achterstaan. Zo kun je bijvoorbeeld je vraagtekens zetten bij het leveren van 300 uitzendkrachten als blijkt dat de vorige 300 allemaal weggerend zijn bij de opdrachtgever. Dan moet er misschien eerst iets veranderen aan de manier waarop het werk gedaan wordt en wat we van mensen vragen.” Koops ziet daarbij telkens de brug tussen verschillende perspectieven geslagen worden. “Het is niet zo dat het ene scenario per definitie goed is en het andere fout. We moeten alleen met elkaar bereid zijn om kritiek ter harte te nemen en echt te luisteren naar de wensen van medewerkers. Nu zie je dat instituten zoals de vakbonden maar één kant van het verhaal belichten en zie je anderen daar hard tegenin gaan. Dat staat echte verandering in de weg.”

Er zouden meer mensen aan het werk moeten zijn op de manier die ze zelf willen. Of dat nu vast of flex is. Als ze er maar zelf voor kunnen kiezen en maar goed is geregeld

Jurriën Koops Directeur Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU)

Eén ideaal voor de toekomst bestaat niet
Op de vraag of we dan meer vast werk zouden moeten nastreven, zegt Koops het volgende: “Er zouden meer mensen aan het werk moeten zijn op de manier die ze zelf willen. Of dat nu vast of flex is. Als ze er maar bewust zelf voor kunnen kiezen en als het werk dat ze doen maar goed is geregeld. Daarbij is 60% op zoek naar betekenisvol werk bij een werkgever. En ook die mensen willen regie op hun eigen toekomst. Daar zouden we sowieso naar moeten streven. Een vast contract is ook maar een schijnzekerheid. Vanaf 1 januari wordt het voor werkgevers bovendien eenvoudiger om afscheid te nemen van mensen. De ABU pleit al enige tijd voor het loskoppelen van zekerheden zoals pensioenopbouw, loondoorbetaling bij ziekte et cetera van contractvorm. Dat maakt het mogelijk voor werkenden om makkelijker over de arbeidsmarkt te bewegen.”

De positie op de arbeidsmarkt wordt bepaald door de bagage in je rugzak, je competenties, je social skills, die maken je contract vast. Dan is het zorgelijk dat uit onderzoek komt dat mensen letterlijk niet weten wat ze waard zijn. “Daar kunnen we als uitzendbranche wel iets in betekenen. Er zijn leden die instrumenten ontwikkeld hebben om in beeld te brengen wat iemand waard is. In zo’n instrument kunnen mensen vragen beantwoorden als: hoeveel tijd heb ik nodig om een andere baan te vinden? In hoeveel stapjes kom ik bij de baan die ik nastreef? Kortom, we kunnen veel doen om mensen te helpen hun eigen pad helder te krijgen. Daarbij komt dat mensen in deze tijd sneller moeten kunnen bewegen, en dan is inzicht in de eigen positie des te noodzakelijker.” 

Flexibiliteit eerlijker verdelen
In het gesprek passeerden een aantal paradoxen de revue. Koops: “We laten mensen nu soms gevangen zitten in arbeidsvormen waar ze niet voor kiezen. Veel van de uitzendkrachten zouden liever met een vast contract werken en zoeken naar zekerheid die ze niet krijgen. Terwijl er een aantal zzp’ers is die we vasthouden in een systeem van regels waar ze niet om gevraagd hebben. De flexibiliteit en risico’s zijn niet eerlijk verdeeld. En misschien komt dat wel doordat we de waarde van de arbeid en de wens van de werkenden niet als uitgangspunt nemen. Tijd om dat te veranderen. Werkgeverschap is nu iets dat juridisch zo geregeld is: veel van wat geregeld is voor werknemers gaat via werkgevers. Werknemers zouden in de toekomst misschien wel losser moeten staan van de werkgever. En in plaats van werkgever te zien als één woord, zouden dat misschien wel twee losse woorden moeten zijn. Ten slotte moeten we met elkaar regelen dat iedereen het goed heeft en zullen we de huidige instrumenten moeten vernieuwen.” 

Hoe is nog een lastige vraag, maar Koops is duidelijk in voor een breed gesprek en juicht alle initiatieven toe die nu ondernomen worden om ons klaar te maken voor een goede arbeidsmarkt in de toekomst. Want daarin hebben we iedereen keihard nodig.